Gedichten


Selectie van recente gedichten (2026)

Een hommel met een ziel van regenparels,
's ochtends opgevist,
later opgeslagen,
bedekt de paarse bloem
met rode-zwarte-rode haren.
En onder haar pootjes
rust mijn bijna verankerde verdriet,
dat wacht om meegenomen te worden
naar het hoogste blauw,
waar het zal verdampen
om morgen terug te komen,
veranderd in regenparels,
waarin gevangen verdriet
niets anders meer is
dan de lichte ziel van een warme hommel.
Ik gaf haar een naam,
ik noemde haar Rozemarijn.
Omdat ik haar daar voor het eerst gezien had.
Rozemarijn Bij die als een enkele druppel gouden regen
de kleine blauwe bloemen verkende.
Die bloemen die nooit verdwijnen zouden,
nooit verdorren of verschrompelen.
En deze Rozemarijn Bij, enkele druppel gouden regen,
zou voor altijd mijn donkerste momenten verlichten
met het kleine puntje licht uit een herinnering
die op een zonnige dag in april uit zowel luid gezoem
als diepe stilte geboren werd.
Ganzen omarmen hazen
Ganzen omarmen de wind
Hazen kunnen rennen
en de wind kan vliegen
in die omhelzing van ontelbare vleugels
die vanuit de hemel
vrijheid sturen
naar hen die de wilde taal verstaan
en deze laten klinken
met trommelende poten
op een vel van aarde
en de wind gaat
van de één naar de ander,
kwispelend met gevallen bladeren,
zonder de tijd te zien
die alleen in onze wereld vergaat.
Is het staan van een boom,
niet zo veel rijker,
dan het staan dat wij proberen?
Beide voeten
boven de diepe aarde, niet erin,
en de geringste gedachte breekt ons staan.
Alsof de vleugelslag van een enkele vlinder
de boom losrukt uit de aarde,
waarna de liggende boom zich geschrokken afvraagt:
Ben ik mens geworden?
Ik heb de boom die daar uit twee bestaat,
nooit eerder gezien.
De stammen tussen wortels en takken
en alles wat van deze bomen is,
diep in elkaar vervlochten.

Of je nu samen één bent,
of toch twee,
ik had je nooit eerder gezien.
Als of je op beide stambenen
uit een verre droomwereld
aan bent komen lopen.
Ik heb zo vaak gedacht
dat ik droomde
wanneer ik ochtendnevel
probeerde vast te pakken
en we samen vervlogen
in onmetelijk tempo
de dag in
Ik stop mijn stille verdriet
in een urn
Maar de urn valt
en mijn verdriet
omwikkelt scherpe scherven.
“Stil maar, scherpte,” troost verdriet,
“Ongewenst zijn we allebei,
maar we zijn zo’n groot deel
van ietsof iemand anders,
dat niets of niemand ons ooit kan wegdoen.”
Ik zie het soms gebeuren
dat vlindervleugels de hemel dragen
en ik zie het ook gebeuren
dat een wereld
waarin vlindervleugels de hemel dragen
niet gezien wordt
De dag draagt
een alledaagse witte vlinder
tussen blauwe vleugels
waarop witte wolken rustenen
waarvan de uiteinden uitkomen
bij jou en mij
en iedereen
Tussen onze werelden
is een brug gespannen
van een enkele haar.
En jouw pootjes zijn gemaakt
voor een brug
van een enkele haar.
Of is de brug voor jou gemaakt?
Hoe komt er een brug
tussen onze werelden?
Heeft mijn droom die gebouwd,
van jou naar mij
en van mij naar jou?
Durf je vannachtover te steken,
vlinder?